Geen stap terug

Fragment uit het boek:

Friedrich. 17 december 1942

Friedrich kroop naar buiten en ging tegen de wand van de loopgraaf zitten. Hij trok zijn knieën op en stak zijn handen onder zijn armen. Buiten was het kouder, maar de bunker benauwde hem. Daar kon hij geen hele dag blijven. Meestal was het er stikdonker omdat ze weinig brandstof hadden. Het stonk er en de lucht smaakte vuil. Net een graf. Een massagraf. Zijn buik deed pijn van de honger. Traag tastte zijn hand naar zijn jaszak. Het mocht niet, hij wist het. Honger. Een klein stukje maar. Nee. Voor Lena. Geen wodka en ze maakten hem af. Hij trok zijn hand terug voor zijn vingers het brood konden aanraken. Een klein stukje. Nee, hij wist dat hij zich dan niet zou kunnen inhouden en nog een stukje zou eten en nog een. Nog een kleintje … Het allerlaatste … Tot alles op was.
Hij probeerde zich op iets anders te concentreren dan de pijn in zijn maag. Het gebulder in de verte. Kwam generaal Von Manstein hen helpen? Kwam hij de stad ontzetten? De geruchten gingen dat hij met een heel leger de in Stalingrad omsingelde soldaten kwam bevrijden. Zelfs zijn vader had het gerucht bevestigd. Het moest dus wel waar zijn. Hoe ver waren de pantsertroepen nog? In de steppe werd het geluid niet tegengehouden … Het kwam van veel verder. Misschien waren ze nog honderden kilometers … Niet denken.
‘Licht! Maak licht!’ hoorde hij plots in de bunker roepen. Gestommel. Friedrich draaide zich niet om om te kijken wat er gebeurde.
‘O, God. Krassnitzer. Krassnitzer?’ De stem sloeg over. Nog meer gerommel.
‘Laat hem los. Hij is dood.’ De hospik.
‘Hoe? Dat kan niet. Er was niets mis met hem.’ Deze stem herkende Friedrich niet. ‘Luitenant. Luitenant! O God. Dit kan niet,’ jammerde de man. Friedrich kreunde en liet zijn hoofd op zijn knieën vallen. Hij wilde dat ze hem met rust lieten. Hij wilde niets horen, niets weten.
‘Breng hem naar buiten.’ De hospik weer. ‘Kan ik hem tenminste zien.’
Twee mannen brachten Krassnitzer naar buiten en legden hem voor Friedrichs voeten in de loopgraaf. De hospik volgde, samen met Egger. Juist. Eggers stem. Een kort onderzoek. De hospik gaf een teken aan de twee soldaten die Krassnitzer gedragen hadden. Ze gooiden hem over de rand van de loopgraaf. De hospik liet zich naast Friedrich op de grond zakken. Egger keek hen verbouwereerd aan.
‘Verhongering.’ De man zuchtte. ‘Ook al wil geen enkele arts of officier dat aannemen.’
‘Hoe kan dat nu?’ stamelde Egger.
‘Heb jij geen honger soms?’ bitste de hospik. Egger knikte wezenloos. Hij hield zijn hand tegen zijn maag gedrukt alsof hij nu opeens aan zijn buikpijn dacht, en liet zich ook op de grond zakken. Andere soldaten kwamen de bunker uit.
‘Wat kan ik eraan doen?’ vroeg Friedrich stil. Zijn hand voelde in zijn zak naar het brood. De hospik haalde zijn schouders op en keek naar de lucht. Geen bevoorradingsvliegtuigen te zien.
‘We gaan dood. We gaan er allemaal aan,’ zei Egger plots luid. Hij keek op. Zijn ogen waren opengesperd.
‘Horen jullie me? Dood! Ze laten ons creperen! Nooit! Nooit gaan we nog naar huis!’
‘Mond houden,’ zei Kessinger.
‘Nooit zeg ik je! We vriezen dood. We verhongeren! We zien Duitsland nooit meer terug. Mijn arme kinderen. Ze zullen weesjes worden.’ Zijn stem klonk hoog.
‘Kop houden!’ zei Kessinger weer. ‘De Führer laat ons niet in de steek. Verrader! Ze komen ons redden. Luister.’ Hij duwde Egger tegen de wand. ‘Hoor je dat? Het gebulder? Manstein. Pantsers. Ze moorden de Russen uit. Ze ontzetten ons. We komen uit deze Kessel . En dan … naar huis! Nog even.’ Hij draaide zich om. ‘Horen jullie dat? De Führer komt ons redden!’ Hij lachte uitzinnig. Egger was niet de enige die doordraaide.
Kessinger begon luid te zingen. ‘Es steht ein Soldat am Wolgastrand. Hält Wache für sein Vaterland …’ Zijn ogen blonken koortsachtig. Niemand zei wat, niemand deed wat. Iedereen staarde, behalve Egger. Die kon het niet aanzien.
‘Onzin! De Führer laat ons stikken.’ Hij klom uit de loopgraaf.
‘Maak me dan meteen af! Ik wil niet verhongeren!’ gilde hij hysterisch. Hij stak zijn armen in de lucht.
‘Waar wachten jullie op? Kloterussen!’ Een kort salvo. Egger viel voorover in de sneeuw. Het lawaai brak af, het was opeens doodstil. Niemand zei een woord. Iedereen staarde naar boven.
Jezus Christus. Wat gebeurt er met ons? dacht Friedrich. Hij liet zijn hoofd weer op zijn knieën vallen. Kessinger zong verder, zachtjes neuriënd.
‘Kesselfieber,’ fluisterde de hospik. Friedrich hoorde hoe hij opstond en naar binnen ging. Andere soldaten volgden hem. Kessinger bleef zingen. ‘De Führer redt ons wel,’ fluisterde hij tussen de zinnen van het lied door.
Niet denken, duiken.

Weer naar het boek